NGA Early Golf Webmuseum


Oorsprong van 'stok-met-bal-spelen'

Over de oorsprong van het colfspel valt weinig met zekerheid te zeggen. We moeten aannemen dat het slaan met een stok tegen een steen (of iets dergelijks) van alle tijden en van alle volkeren is. Maar zeker is wél dat van de thans nog bekende 'stok-met-bal-spelen-met-spelregels en aan het spel aangepast materiaal' het Waals/Franse Jeu de Crosse (ook wel genoemd Choule of Chole) de oudste vermelding kent (Robert de Boron tussen 1180 en 1200).

Geert & Sara Nijs, auteurs van het boek 'Choule, the Non-Royal but most Ancient Game of Crosse' stellen:
'Alhoewel wij geen specifiek onderzoek gedaan hebben naar dateringen, herinneren wij ons dat Steven van Hengel (Early Golf) stelt dat colf is voortgekomen uit het choule. De Graaf van Henegouwen kocht reeds 'choler'-ballen in 1332. Roger Vaultier meldt dat in 1319 spelers om de beurt de bal met een 'crosse' sloegen. Het museum in Felleries vermeldt de 10de eeuw als periode dat het 'jeu de crosse' reeds gespeeld werd.
Het bijzondere aan jeu de crosse is dat het spel gezien moet worden als de enig overgebleven transitie van het ruwe, ongeregelde hockey-achtige spel naar een meer beschaafde vorm, die uiteindelijk evolueerde tot het Hollandse colf en kolf en het huidige wereldwijde golf. Het jeu de crosse is echter in al die honderden jaren niet of nauwelijks geëvolueerd. Wij denken dat er daarom met recht gezegd kan worden dat choule de bakermat is van het Vlaams/Nederlandse colf en het Schotse golf, zonder in discussie te gaan over directe of indirecte afstamming.'

Anno 1261 ...mit ener koluen... - oudst bekende vermelding van het colfspel

De Vlaamse dichter Jacob van Maerlant (ca. 1220 - ca. 1300) vertaalde en bewerkte in 1261 'Le livre de Merlin' van de franstalige schrijver Robert de Boron tot het Boec Merlijn. In dit boek vinden we in samenhang met een bal de eerste vermelding van een colfstok: ... mit ener koluen... . Zie verder het album ‘Anno 1261: Oudst bekende vermelding van het colfspel’ in deze galerij.

Middeleeuwse spelen

Onder de andere spelen die in de middeleeuwen in Nederland en Vlaanderen geliefd waren, zoals klootschieten, bikkelen, beugelen, koten, palingtrekken, ganstrekken (zie afbeelding) en zelfs het geblinddoekt stukslaan van aardewerk, ontwikkelde het kaatsten zich samen met het 'spel metten colve', ook wel aangeduid als 'den bal mitter colven te slaen', tot de meest beoefende sporten in de Lage Landen na de dertiende eeuw. Het is aannemelijk dat het colfspel niet is 'uitgevonden', maar in de loop van de tijd geleidelijk is ontstaan. Waarschijnlijk zijn in dit proces geregeld ideeën en regels van gelijksoortige spelen overgenomen en ingevoegd, overigens met de aantekening dat regionale verschillen zeer lang zijn blijven bestaan. Sinds mensenheugenis bestonden er spelen met een stok en een bal, aanvankelijk gespeeld met rudimentair, later meer met verfijnd materiaal.

Ook van buiten Nederland zijn soortgelijke spelen bekend. Egyptenaren, Grieken, Romeinen en Chinezen hadden elk hun eigen versie. Kijk voor enkele aanwijzingen van deze stelling in het album 'Moeilijk (of niet) te duiden 'stok-met-bal-spelen in de Middeleeuwen''.

Het spelen van colf leidde tot ongenoegen van de stadsbesturen, die tegen de excessen bij deze sport allerlei maatregelen troffen. Colvers en kaatsers raakten nogal eens toevallige voorbijgangers, of prijzige ruiten en kerkramen. Zij maakten herrie en bevuilden de gevels, men vertrapte gras en gewas en verjoeg het vee. Het spelen werd dan ook telkens weer verboden, of naar een plaats buiten de stad verbannen. Dankzij al die verordeningen, valt nu een aardig beeld van deze volkssporten te schetsen.

Afbeelding
Détail van een grotere houtsnede met in totaal 24 vormen van volksvermaak. 35,5 x 28,5 cm. Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, afdeling Volkskunde, Brussel

Colfspel

Vanaf de vroege middeleeuwen werd aan hoven en in kloosters, maar ook door de burgers het 'spel metten colve' gespeeld. Uit de talrijke verbodsbepalingen van de 14e tot in de 17e eeuw blijkt dat dit een spel was waarmee veel gewone burgers en buitenlui zich vermaakten. Dit colfspel was een 'lang' spel, dat werd gespeeld op straten, pleinen, velden en, in de winter, op het ijs. Er was een iepen- of beukenhouten bal voor nodig en een colf, een slaghout met een verzwaarde onderkant. 'Colve' is oud-Nederlands voor knots (vgl. Latijnse 'clava'). Het slaghout was aanvankelijk geheel van hout, maar later werd de colf aan de onderzijde met een metalen slof verzwaard. Met deze verzwaring werd ook de slagafstand en daarmee het speelveld vergroot.
Bij het colfspel was het de kunst om met zo weinig mogelijk slagen een vooraf bepaald doel te raken, óf om in een vast aantal slagen een zo groot mogelijke afstand af te leggen.
Men speelde twee aan twee met één bal, die men om beurten sloeg, dan wel ieder met een eigen bal.
De telling werd op een kerfstok bijgehouden. Een slag kon voor een goede colver wel tot 90 tot 100 meter lang zijn, zodat er voor het gemak ook wel 'merkers' (zoekers, waarschuwers) vooruit liepen om aan te geven waar de bal was gebleven (vergelijk 'forecaddies' bij het hedendaagse golf).

Naast de betrekkelijk goedkope houten ballen werden ook met haar of met veren gevulde bezaanleren ballen voor het spel gebruikt, soortgelijk aan kaatsballen. Bezaan is de van oorsprong Arabische stofnaam voor gelooide schapenhuid (Oudfrans 'basane', getaand, gelooid). Het mogelijke voordeel was dat tegen deze leren ballen waarschijnlijk harder geslagen kon worden dan tegen de houten ballen. Er waren zo minder slagen nodig. Gezien het prijsverschil met de houten ballen moeten we aannemen dat de leren ballen alleen werden gebruikt door de elite en niet door het gewone volk.
De afslag van de bal gebeurde vanaf een hoopje aarde, of ook wel sneeuw, het zogenaamde 'tuitje' (vgl. 'tee' bij het golf). Het oude gezegde 'Het balletje op een tuitje zetten', in de betekenis van 'het nog eens proberen', is hiervan afkomstig. Experimentele historici die met de middeleeuwse colfstokken en -ballen hebben geoefend, getuigen ervan dat het daarmee bijzonder moeilijk richten is. Van nature is colf dus nogal een problematisch spel.

Aan de baan werden amper eisen gesteld; zolang het mogelijk was een paar doelen aan te wijzen, kon het openluchtspel het hele jaar door worden gespeeld. In de zomer werd er weinig gespeeld, omdat men te druk was op het land en de bal ook al te gemakkelijk in het hoge gewas verloren ging. Als doelen werden deuren, stenen, bomen of palen gekozen (Latijn 'palus', puntige stok). Ook werd wel een gat als doel aangewezen, waarin soms een stok werd gezet om de plek op afstand beter te kunnen zien. In een Latijn-Nederlandse taalgids in 1552 in Antwerpen uitgegeven, gaat een hoofdstuk geheel over het colfspel, daarin benoemd als spel 'nae den cuyl'. Colf is hierin als voorloper van het hedendaagse golf te herkennen.

Bij het spelen werd er geregeld grof gewed. Ruwaard Aelbrecht van Beieren, die het stadhouderschap over Holland, Zeeland en Henegouwen waarnam voor zijn geesteszieke broer Willem V, bezegelde op 4 december 1387 een charter, waarbij hij het spelen om geld in Brielle verbood. Er werd echter een uitzondering gemaakt voor de klosbaan van zijn eigen vrouw in de 'kooltuin' en voor het kaatsen en 'den bal mitter colven te slaen buten den vesten onser Stede voirscreven ende scieten mitten boge'. Men liet in Den Briel het wedden kennelijk toe bij het colfspel, maar dan wel buiten de stad.
Vaak werd er echter toch in de straten gecolfd en dan vloog de bal door een ruit, of raakte een voetganger of paard. Er werd dikwijls geklaagd, dat 'goede luyden beseert' werden en dat 'glaesen uytgesmeten, questingen comen te ontstaan, slick ende vuylnis met hare colven tegens de huysen te smyten'.
Overal deden bestuurders dan ook hun uiterste best het colfspel alleen toe te laten 'in geoirlofde plaetsen'. Zo gaf dezelfde Aelbrecht van Beieren de Haarlemmers op 'twintich daghe in februario 1389 na den lope van onsen hove' (1390 in de huidige jaartelling) een stuk grond 'butten den Houtpoirten ten Houtwaert', in de Haarlemmerhout om er te colven. Van overlast is daarna niets meer vernomen. Het gras van deze openbare baan werd gemaaid door de schutters en de 'grashuur' ging later naar de kerk.
Ondanks de bestemming 'tot ewighen daghen' kwam deze baan ruim 400 jaar later in handen van Lodewijk Napoleon, toen hij in de villa 'Hope' te Haarlem woonde. Heden herinnert alleen nog de straatnaam Baan aan 'die baen die leyt butten de Houtpoirten'.
In een keur van Zierikzee van 1429 werd uitdrukkelijk bepaald 'dat nyemant den bal en sla up de straten met colven, die voren verlood of verijsert sijn'. Blijkbaar werden er toen bij het colfspel al stokken met een loden of ijzeren slof gebruikt. Kon men bij overtreding een boete niet betalen, dan moest men vaak een kledingstuk in onderpand geven, waarmee het colven als een soort voorloper van het hedendaagse strippoker gezien kan worden.

26 december 1297: Wat is waar van de colfpartij te Loenen?

Er bestaat een mythe dat de oudst beschreven colfpartij voor het eerst op 26 december 1297 te Loenen aan de Vecht zou zijn gespeeld. Een jaar daarvoor was op 27 juni Floris V, de bij het volk zeer geliefde graaf van Holland en Zeeland, door edelen vermoord. De heren waren op hem gebeten, omdat hij de goederen van Aemstel en Woerden bij zijn gebied probeerde in te lijven. Zij namen hem gevangen om hem uit te leveren aan de Engelse koning, ook bepaald geen vriend van Floris sinds deze met de Fransen heulde. Het volk hield hen echter tegen en bij de poging te ontvluchten werd graaf Floris bij Muiderberg vermoord. Een van de verdachten van deze moord, of beter doodslag, want de 'voorbedachte rade' werd niet aangetoond, was een zekere Gerard van Velsen. Na de verwarring die op de doodslag volgde, vluchtte Gerard met Arnold van Benschop en andere medeplichtigen naar de Heerlijkheid Cronenborch, een degelijke torenvesting bij Loenen aan de Vecht die toebehoorde aan Gijsbrecht van Aemstel, familie van Arnold. Het kasteel is vervolgens belegerd en uitgehongerd. Op 26 december gaf men zich over. Gerard van Velsen werd niet, zoals de anderen, onthoofd, maar gefolterd en daarna geradbraakt, zo meldt de 'Rijmkroniek van Holland' van Melis Stoke.

In werkelijkheid heeft hij echter in Leiden terechtgestaan en werd daar gevierendeeld. Naar middeleeuwse rechtsopvattingen was met deze eerloze straf de doodslag gewroken. Ter herinnering aan de executie zou de traditie van een jaarlijkse colfpartij op de tweede Kerstdag in Loenen zijn ontstaan.

Het lijkt echter zeker dat deze colfwedstrijd of -traditie niet zo oud is. Zo komt dr. Ayolt Brongers (in Golfjournaal december/januari 2002/2003) op basis van historisch bronnenonderzoek tot de conclusie dat de feestelijkheden in Loenen nagenoeg zeker uit de negentiende eeuw dateren. Ook Cees van Woerden twijfelt aan het waarheidsgehalte op basis van genoemde doelen, waarvan er twee in 1297 nog niet bestonden (in het boek ‘Kolven, het plaisier sig in dezelve te diverteren’). Het colven met Kerstmis was bovendien in Loenen zelfs lang verboden en het startpunt, het Rechthuis, is van latere datum.

De colfpartij ter herdenking van het oproer en beleg van Cronenborch, later Kronenburg genoemd, dateert dus waarschijnlijk uit de 19e eeuw. Maar tóch blijft het een alleraardigst verhaal, met opvallende overeenkomsten met het huidige golf. En dat geschreven op een tijdstip dat golf in Schotland nog een spel was met beperkte toepassing en dit spel in Nederland volstrekt onbekend was. Overigens dateert de oudste vermelding van colf uit 1261, toen Jacob van Maerlant in zijn Boec Merlijn in samenhang met een bal schreef over een '... mit ener coluen ...' (coluen = colven of colf).

Wél doet de nooit gebeurde geschiedenis sterk denken aan de 'moderne' kolfvormen die bekend staan onder de namen 'boerengolf' en 'vestinggolf'. In de galerij 1885-heden zijn in het album Foto's afbeeldingen van deze kolfvormen opgenomen.

Het verhaal van die colfpartij begon bij het Rechthuis midden in Loenen. Van daar moesten twee ploegen van vier spelers de vier doelen zien te raken. Het eerste doel was de keukendeur van het herbouwde kasteel Kronenburg. De winnaars kregen er een vat bier, terwijl vanaf de muren appels naar de verliezers en toeschouwers werden gegooid, mogelijk als nabootsing van de belegering.
De volgende doelen waren de deuren van de korenmolen 'De Hoop' en van het oude 'Huis te Velde', gelegen achter de huidige boerderij 'Huis te Velde', waar weer bier en appels wachtten.
Tenslotte sloeg men de bal terug naar het Rechthuis.

De 'spel metten colve' in Loenen aan de Vecht werd door de jaren heen in plaats van colf ook wel 'kolfslaan' genoemd.

De totale baan in het verhaal was ca. 4.500 meter lang. Een goede colver zal daar zo'n 50 tot 55 slagen voor nodig hebben gehad. Alle kosten van de partij, inclusief de schade onderweg, waren voor rekening van de latere heren van Kronenburg. Hun vrijgevigheid was mogelijk een poging om als Hollands leengoed en enclave in Utrechts gebied de plaatselijke bevolking gunstig te stemmen.

De wedstrijd in en om Loenen aan de Vecht werd gespeeld tot 1831. De 'sponsor' was toen vertrokken en het colf uit de mode geraakt. Kort daarop werd het inmiddels onbewoonde kasteel definitief gesloopt.

26 december 1997

In 1997 wist men nog niets van de jonge traditie en werd deze '700 jaar oude colfpartij' herdacht en door de straten van Loenen aan de Vecht in middeleeuwse kledij, maar met modern golfmateriaal, nagespeeld. Een verstandige keus, want tien jaar eerder had de commissaris van de koningin, jhr. P.A.C. (Pieter) Beelaerts van Blokland, om dezelfde colfpartij eer aan te doen, een originele kliek van het St. Eloyen Gasthuis uit Utrecht stukgeslagen, bij de opening van de tentoonstelling 'Langs de oevers van de Vecht' van het oudheidkundig genootschap 'Niftarlake'.

Colf in Oud- en Middelnederlandse teksten

Het fenomeen 'Colf' komt in oude teksten voor in verschillende schrijfuitingen. Naast de bekende uitingen als 'Colf', 'Kolf', 'Culuen', 'Koluen' (bij Van Maerlant) en zelfs Colffven (in een keur uit 1581 uit Schiedam) wordt daarnaast veel gesproken in algemene termen als 'balslaen', 'sollen metter colve' of 'tsollen'.
Plaatselijke overheden hadden er belang bij om hun verboden te formuleren in algemene termen, zodat niet alleen het colven aangepakt zou kunnen worden, maar ook het 'caetsen', 'kloten', beugelen, kegelen en 'klossen'. Het zal duidelijk zijn dat deze variëteit in woordgebruik leidt tot interpretatieproblemen bij het lezen van de -veelal juridische- teksten in plakkaten, ordonnantiën en keuren.
Verschillende sporten worden aangeduid met de term 'balslaen' en dat is bij gebrek aan kennis van andere slagspelen met een bal vaak als 'colf' geïnterpreteerd. Oók in gevallen waar het om kaatsen, kloten, klossen, beugelen, kegelen of een van de door velen beoefende versies van slag- of honkbal gaat. Helaas ontbreken veelal details om te bepalen welk spel precies werd bedoeld, omdat de opstellers van de keuren juist proberen om zo algemeen mogelijk te formuleren. Als in een keur het spelen wordt verboden 'met colven, paletten, batoiren, raketten of andere stocken of instrumenten' heeft men duidelijk voor ogen zoveel mogelijk hinderlijke spelen in één verbod te vangen.
Het lijkt ook of de termen voor de verschillende spelen in de loop van de eeuwen in teksten steeds meer door elkaar worden gebruikt. Steeds vaker komen korte, algemene varianten zoals 'ballen', 'balslaen' of 'balwerpen' voor. Mogelijk nodigde het schrijven van de zóveelste keur om dat hinderlijke gespeel in te perken, uit tot formuleringen als: 'caetsen, colffven, balslaen ende schyeten van de cloot ofte worpen mit steenen ende gelycke ongeregeltheden'.

Annemarieke Willemsen in 'Caetsen ofte colffven':
Bovenal wordt duidelijk dat een spel als colf (maar dit geldt ook voor kaatsen) overal en door iedereen kon worden gespeeld: door kinderen en volwassenen, nonnen en lichtekooien, 'beede gheestelike en weerlike lieden', straatschuimende schilders en kranige keizers; om het even op een schip, bij een kasteel, op de Hof van Amersfoort, op het kerhof van Schiedam, op de befaamde (eed-van-de) kaatsbaan op het Louvre en op de bevroren Leidse stadssingels. Geen wonder dat het middeleeuwse gespeel niet in de hand te houden was.

Onderzoek naar de etymologie van Colf (met name de schrijfvorm Coluen) en Choule heeft niet tot een vergelijkbare herkomst geleid (bron: Nicoline van der Sijs). De stelling dat Choule (eigenlijk: Jeu de crosse) de 'vader' is van Colf staat hierdoor wel onder druk. Zeker niet uitgesloten is dat Choule en Colf zich zelfstandig aan weerszijden van de taalgrens hebben ontwikkeld.
Hier tegenover staat de mening van Robin Bargmann, die stelt dat de uitdrukkingen 'souler à la crosse' en 'tsollen metten colve' hetzelfde stok-met-bal-spel vertegenwoordigen in het Frans en het Vlaams. Hij verdedigt dit met de stelling dat beide talen destijds in Vlaanderen gesproken werden.

Het woord 'kolf' (en de varianten hierop) kent vele betekenissen. In de studie naar de oorsprong van het kolfspel is de volgende betekenis, afkomstig uit onze zuidelijke tongvallen, wel relevant: 'besloten gezelschap' of 'sociëteit' (Middelnederlands woordenboek, met dank aan Ingrid Biesheuvel). Hier dringt zich de vergelijking op met het Engelse woord 'club' dat eveneens de betekenis heeft van slaghout (verzwaarde stok) en van besloten gezelschap. Kan dit toeval zijn...?

Het thans gehanteerde onderscheid tussen colf voor het lange baan-spel en kolf voor het plaatsgebonden spel met palen, is in het leven geroepen door 20e eeuwse sporthistorici die om begrijpelijke redenen een idiomatisch onderscheid wilden tussen beide speltypes. In de oorspronkelijke Middelnederlandse en latere geschriften wordt dit spellingsonderscheid dus niet gemaakt.

Bron: Annemarieke Willemsen (in 'Caetsen ofte colffven, 1996), Do Smit