Webmuseum Colf & Kolf
Click for large image

1836_.jpg

Lof van het Kolven, 1836

No. 12

Lof van het Kolven

Wijze: Ja, zwart wil ik wel wezen.

‘t Moet wel een domoor wezen,
Die ‘t kolven niet bemint;
Wijl men, voor ziel en ligchaam,
Zijn voordeel daarbij vindt. (bis.)
‘t Geen ons bewegen doet,
Maakt vlug en zuiver bloed,
Geeft, door gezonde sappen,
Ook graagte, om wat te knappen,
Te kolven met den mond;
Ja, ja,
Ja, ja,
Het kolven is gezond. (bis.)

Is de uitslag goed gegeven,
Dan zijn wij boven aan,
En denken, zoo is ‘t leven,
Wat pad wij mogen gaan. (bis.)
Is men slechts afgerigt,
Op ‘t doen van zijnen pligt,
Dan kan het niet mislukken,
De vrucht daarvan te plukken;
Wat bal men moge slaan,
Men is
Gewis
Daar boven altoos aan. (bis.)

Die ‘t kunstigst weet te trekken,
Wint zeker ook het spel;
Zoo gaat het met het leven,
Den man van kunde we. (bis.)
Hij trekt, wat tijd het zij,
Den domoor wis voorbij;
Ziet, lagchend, deze prullen,
Of bij de lei staan hullen,
Als hij zijn streepjes telt;
Hij zucht,
Hij zucht,
Daar het zijn rinkels geldt. (bis)

Slaar iemand te onbezonnen,
Misschien een weinig zat,
De bal vliegt naar de hoogte,
En over het rabat. (bis.)
Dan is hij, tot zijn’ spijt,
Het streepje op éénmaal kwijt;
Het wordt hem aangeschreven;
Zoo gaat het ook in ‘t leven;
Die onbesuisd iets doet,
‘t Gaat vast,
‘t Gaat vast,
Dat hij ‘t bezuren moet. (bis.)

Ja, ‘t moet een domoor wezen,
Die ‘t kolven niet bemint,
Wijl men, voor ziel en ligchaam,
Zijn voordeel daarbij vindt. (bis.)
Elk schuwe dan den schijn,
Van ook zoo dom te zijn,
En weiger’ niet te spelen;
Niet in den roem te deelen,
Dat hij een spel bemint,
Waarbij,
Waarbij
Hij zelf zijn voordeel vindt. (bis.)

Bron: Do Smit


Webmuseum and Digital Archive Colf & Kolf © Koninklijke Nederlandsche Kolfbond | Koninklijke Nederlandse Golf Federatie