K N K B W e b m u s e u m
     
1200-1450 | 1450-1700 | 1700-1885 | 1885-heen
   
     
Digitale WNT
   
     
Klik hier voor inhoudsopgave

KNKB Webmuseum

Colf & Kolf in het Woordenboek der Nederlandse Taal (digitale WNT)

   
     

KOLF I
Woordsoort: znw.(v.,m.)
Modern lemma: kolf
— KOLVE —, znw. vr. (in Z.-Nederl. gewestelijk ook m.), mv. kolven. Mnl. colve; os. kolbo, mnd. kolve, nnd. kulf; ohd. kolbo, mhd. nhd. kolbe; on. kolfr; de. zwe. kolv. Een verwant woord buiten het Germ. is waarschijnlijk lat. globus.

1. Wapen bestaande uit een zwaren stok met verdikt uiteinde, knots. Zie ook de bet. 13).
Zegsw. Sotten, moetmen met koluen luysen, Bijbel v. Deux Aes, Hos. 4, 14, Kantt.
2. Slaghout bij het kolfspel. Colue, daermen den bal mede slaet, Claua, DASYP. — Wy maken malkaer hier mal, Wy souwen om een hayr wat kolven, wisten wy raet om kolf en bal, COSTER 516 [1613].
Naerde middagh wandelde met haer wat op het Green, daer een deel Engelschen een mal spul speelden met houte bollen en groote swaere houte colven, C. HUYGENS Jr., Journ. 1, 119 [1689].
Den mensch (is) een bol … die voortrolt na maate dat hy door de kolf van zyn hartstogten wort voortgeslaagen, WEYERMAN, Vrol. Tuchtheer 33.
De kolf wierd welgezet, De baan was waterpas, de ballen van saiet, BARTELINK, B. Kermis 13 [1774].
Eene vierkante houten klik, aan een stok gevoegd, was de Kolf, daar men een ligten hairen Bal mede voortsloeg, BERKHEY, N.H. 3, 1393 [1776].
Ik verzeker u dat ik my al te wel op het spel versta; — daarenboven zyn myne ballen en kolf van zulk een goed soort, dat ieder van myne slagen den Engelschman in de ooren zal donderen; — en wat meer is, ik ben, gelyk gy weet, de baan gewend, Het nieuwe Kolfspel 9. De spelers … kregen de kolven uit het rek …, haalden uit het kastje de groote, witte, elastique ballen, in De Nederlanden 95. De kolf wordt met eene hand boven aan den steel vastgehouden en met de andere hand (wat lager) wordt met de klik over den vloer van de baan een cirkel beschreven, SPUYBROEK, Kolfsp. 17.
3. Het breed uitloopende achtereinde van een geweer, pistool of revolver.
Roers, met roode verlakte laaden, en lange kolven, bij VALENTIJN, O.-I. IV, 3, 17 b [1637].
Roers, met zwarte verlakte laaden, en korte kolven, VALENTIJN, O.-I. IV, 3, 17 b [1637].
Omme alle 4 met de colff van 't musquet gelaerst te worden, V. RIEBEECK, Dagverh. 3, 262 [1659].
Men (moet) de Snaphaan op de lincker schouder met de lincker handt houden, en den duym boven de Kolf in de holte leggen, Gr. Placaetb. 5, 111 a [1701].
Een van hun slaat hem, terwijl hij nog ligt te spartelen, met de kolf van zijn' snaphaan volkomen dood, V. HEMERT, Lekt. 2, 162 [1804].
Menigeen … Weêrhoudt het schot van zijn geweer En zet de kolf tot rusten neêr, TER HAAR, Ged. 2, 203 [1849].
Ten einde in den schouder een steunpunt voor de kolf te vinden …, moet de kolf onder eene helling staan met betrekking tot de rigting van den loop, V. GOENS, Zee-art. 816 [1865].
Langzaam legt hij den loop van zijn geweer op den linkerhandpalm, drukt het hout van de kolf vast tegen zijn rechterwang, CLAES, Zich. Nov. 49.
4. Het dikke uiteinde van een biljartkeu.
Kolf of schoen van eenen biljardstok, V. MOOCK.
5. Strijkstok van een viool. Verouderd.
Plectrum. … B. Het boochken van een veelken, kolfken, JUNIUS, Nomencl. 246 a.
6. Werktuig eertijds door de boekbinders gebezigd tot het bruineeren van boekbanden.
Tot het bruineeren bedient men zich van ronde en platte bruineerijzers, (kolven) van goed staal, zuiver en glad bearbeid; onze keus bepaalt zich alleen tot ronde, van drie duim breed en een halven duim diameter aan de kanten …; de ijzeren steel aan dezelve behoeft 6 duim en de houten 13 à 14 duim, met een goeden ijzeren band, Handw. 22, 123 [1806].
Men (zet) de kolf aan de uiterste kanten van het plat, en als men ziet dat het door een zagte maar allervlugste strijking glans bekomt, loopt men het gantsche plat rond enz., 22, 124.
In het gemeen kan men een klein Quarto, groot Octavo … met een behoorlijk warme kolf, beide de platten bruineeren, 22, 125.
7. Vat, meestal van glas, met bol- of eivormigen buik en langen nauwen, al dan niet omgebogen hals, voor schei- en natuurkundig gebruik.
Kolf; Zijp-glas; Zijp-vat; in 't latijn Cucurbita; is een vaatwerk van aarde, glas, tin of vertint koper gemaakt; zijnde van beneden rond, en heeft een buik met een min of meer langen hals; gelijkende in gedaante naar een lange vlesse-kalbas, en dient in de Chijmie en Distilleerkonst, om er de stoffen in te doen, welke men wil overhaalen, CHOMEL 1560 a [1770].
— Stoot elck stuck bysonder, ende dan so mengtse onder een, ende doetse in een Colve of distileer Vat, PH. HERMANNI, Distillierb. 99.
Gods beroep door zijn woord, is … die onbegrijpelicke smeltkroes, die kappelle, die simen-teer-pot, die glazenkolve, daer in wy geraffineert en ghezuyvert werden, DE BRUNE, Bank. 2, 107 [1658].
Kolven van prima Boheemsch glas, Uit een prijscour. (a°. 1893).
Uit 100 c.c. van het filtraat wordt in een kolfje van 200 c.c. … het lood neergeslagen, aangevuld en gefiltreerd, Versl. Rijkslandbouwproefst. 18, 99.
8. In verkleinvorm: kort pijpje, neuswarmertje (DE BO [1873]).
9. Bloeiwijze bestaande uit een aar met vleezige hoofdas waar de bloemen (later de vruchten) ongesteeld aan bevestigd zijn; lat. spadix.
Men vindt aan den voet der kolf … een groot blad, 't welk de inflorescentie tot op het oogenblik harer ontplooiing omsloten houdt … en bloeischeede (spatha) genoemd wordt, OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 2², 144.
Eene samengestelde kolf ( spadix composita …) vindt men bij de Palmen, 2², 148.
De goudgele, zware kolven (t.w. maïskolven) van den graanhandelaar, FABRICIUS, Komedianten trokken voorbij 31.
10. Zeker orgaan bij tweevleugelige insecten, dat zich achter hun vleugels bevindt.
Achter de vleugels ziet men op het achterborststuk twee kleine beweegbare organen, die kolfjes, balanceerkolfjes, halteres … genoemd worden, SNELLEN V. VOLLENH., Gel. Dieren 484.
De Diptera (vliegen) met de mesothoracale vleugels, terwijl de metathoracale den vorm van kolfjes hebben aangenomen, OUDEMANS, Insecten 51 [1905].
11. Eikel van het mannelijk lid. Verouderd.
Die colf, oft dat ouerste vanden manlijcken gelidt, DASYP. (ed. 1546).
12. Als plantennaam.
Kolue. j. lischdodde, Typha, KIL.
13. In een bijzondere toepassing van de bet. 1) als attribuut van een functie waaraan op eenigerlei wijze de uitoefening van gezag verbonden is.
S. Wye zyt ghy? D. Sheeren dienaere. T. Waer es hu colue Ofte uwe commissye? Wiltse thooghen bloot, EVERAERT 141 [c. 1528].
14. Vandaar in de volgende toepassingen.
Afl. Kolven (zie ald., het 1ste art.).
Verder: Kolfachtig.
Kolveren, benaming van een met het kolven verwant spel. In Z.-Nederl.
Kolveren gelijkt min of meer op het huidig door de Engelschen en de Amerikanen zoo geliefkoosde ”golf” -spel. Wij speelden het duchtig reeds voor 65 jaren. … Hiertoe gebruikten wij, benevens een houten bal, houten hamers van nog al grooten omvang, vastgehecht aan een langen steel, zoo lang als een gewone gaanstok, LAURYSSEN, in Volksk. 1931, 138.
Samenst. en samenst. afl. Kolfoog (zie ald.).
— Verder: Kolfbloem, de als bet. 9) genoemde bloeiwijze als (samengestelde) bloem beschouwd (V. DALE?).
Kolfbuiging.
Kolfbus.
Kolfdragend.
Kolfdrager, 1°. eertijds een benaming voor een lageren gerechtsdienaar: verg. de bet. 13); mnl. colfdrager.
Hiernaast de vr. vorm kolfdraagster, eenmaal aangetroffen als een schertsende benaming voor een verklikster (OGIER, Seven Hoofts. 173 [1647]).
2°. Standaard om een kolf in de bet. 7) te dragen.
Kolfflesch, hetzelfde als de bet. 7) (V. DALE?).
Kolfhaar.
Heeft eenmaal een haar zijn maximum van ontwikkeling bereikt, dan … raakt het haar van den bodem van het haarzakje los. Het is dan aan de onderzijde geheel massief, verhoornt volledig en wordt nu als ”kolfhaar” onderscheiden. Langzamerhand wordt het nu … uitgestooten, V. D. BROEK e.a., Ontleedk. 5, 33.
Kolfheide, dopheide (?).
Is geresolveert dat die geen welke pagter wort van t' heideveld geen kolfheide sal mogen majen, bij PLEYTE e.a., Uddel XX (a°. 1727).
Kolfhout, eig., en fig. ter aanduiding van een plomp, grof mensch.
Kolfsklooten, het kolfspel beoefenen.
In Katwijk noemt men het (t.w. het kolfspel) kolfsklooten en schiet(k)looten, OVERDIEP, in Alg. Handelsbl. v. 18 Mei 1938.
Kolfkloppen; zie boven bij 3).
Kolvenmaker (V. LENNEP en TER GOUW, Boek d. Opschr. 276).
Kolfmos, benaming voor Groote Wolfsklauw, Lycopodium clavatum (V. DALE?).
Kolfpistool (Dl. XII, 2008).
Kolfplaat, stalen plaatje aan de onderzijde van de kolf van een vuurwapen.
Kolfplaat, plaque de couche, V. MOOCK. — De kolfplaat dient tot versterking van het ondervlak der kolf; zij is, bij de geweren en karabijnen, in het onder- en voorvlak der kolf ingelaten, en daaraan met twee houtschroeven, zoogenoemde kolfplaatschroeven, bevestigd, V. GOENS, Zee-art. 824 [1865].
Bij de pistolen heeft de kolfplaat den vorm van eene kap of eene plaat, V. GOENS, Zee-art. 824 [1865]. (zie ook Infant.-Reglem. I A (1932), 12).
Vandaar: kolfplaatschroef (zie een voorbeeld boven in de aanhaling uit V. GOENS, Zee-art. [1865]).
Kolfriet, hetzelfde als de bet. 12). In Z.-Nederl. (PAQUE, Vl. Volksn. 209).
Kolfslaan.
Bij de Kersvermaken … kan nog het Loenensche Kolfslaan vermeld worden, dat vroeger, namelijk tot 1830, jaarlijks op den tweeden Kersdag plaats had, TER GOUW, Volksverm. 692 [1871].
Kolfslag, 1°. slag met een kolf in de bet. 1).
2°. Slag met een kolf in de bet. 2).
Van hier ging 't weer de Dorpsstraat langs, met kolfslag op slag, TER GOUW, Volksverm. 692 [1871].
In verkleinvorm ook als benaming van het kolfspel.
Wanneer de Man … onledig is, met een klaverjassen, kolfslagje, of eenig ander … spel, FOKKE, De Vrouw 2, 52 [1810].
3°. Slag met een kolf in de bet. 3) of een nabootsing hiervan, in 't bijzonder als militaire strafmaatregel (verg. DE HAAN, Priangan 4, 137: ”De bedoelde kolfslagen werden met een stuk hout in den vorm van eene geweerkolf op het achterste geappliceerd”).
Soo ymant bevonden wert absent te wesen …, sal … voor de eerste nacht met 25, voor de tweede met 50 ende voor de derde nacht met hondert colffslagen van de generale taeffelgasten geleerst … werden, N.-I. Plakaatb. 1, 449 [1640].
Die hem droncken drinckt, dat men het merckelyck sien can, sal 25 colffslagen hebben, 1, 450.
Toen wij in het dorp kwamen, waren de inwoners gevlucht; wij braken de deuren met kolfslagen open, doch ontdekten niets, dat eetbaar was, CONSC. 1, 120 a [ed. 1867].
De steenen splintren en de posten van de poort Rinkinken op 't geweld van kolf- en mokerslagen, TEN KATE 7, 88 [1860].
Kolfsteel, steel van een kolf in de bet. 2).
Men heeft … Koperen Klikken aan de Kolfsteelen, BERKHEY, N.H. 3, 1394 [1776] (zie ook SPUYBROEK, Kolfsp. 12).
Kolfstok, 1°. hetzelfde als de bet. 2).
Het meer of minder juist raken van den bal op de goede plaats van den kolfstok, SPUYBROEK, Kolfsp. 20.
2°. Bij vergelijking voor den stok van een zeis.
De stok, welke door de maaijers de kolfstok, en het ondereinde de kolf genaamd wordt, (helt) in eene schuine rigting over …, als het zwadde of het seise plat ligt, BERKHEY, N.H. 9, 189 [1811].
Kolfstoot.
Kolfvink.
Kolfvormig, in verschillende toepassingen.
Kolfvorming.
De kolfvorming aan een blaaspijp (bij het glasblazen), V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 2¹, 208.
Kolfzwam, schimmel met loodrecht opstijgende vruchtdraden welke bolvormig eindigen.
Kolfzwam (Aspergillus), een zakzwam van de familie der Aspergillaceeën, … vormt op plantaardige of dierlijke stoffen een grauw- tot olijfgroene schimmellaag, Kath. Encyclop. 15, 488.
Als tweede lid. Bloeikolf, branderskolf, distilleerkolf, gekskolf, geweerkolf, kookkolf, maatkolf, pistoolkolf, rietkolf, strijdkolf, vechtkolf, waterkolf, zotskolf, zuurkolf (zie die woorden of het eerste lid).
Verder: Aanvangskolf: bij het glasblazen.
Het glas (moet) … voor holle voorwerpen in (den tusschenvorm) … van een aanvangskolf, d.w.z. in een peervormige gedaante (zijn gebracht), die omgezet wordt in een gesloten holle kolf, V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 2¹, 183.
Balanceerkolfje (zie onder de bet. 10)).
Glaskolf: bij het glasblazen.
De eigenaardige gedaanteverwisseling van de glaskolf bij het handblazen, V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 2¹, 209.
Maïskolf.
Laten we bij B. maïskolven gaan weghalen en ze ergens boven een vuurtje roosteren, FABRICIUS, Komedianten trokken voorbij 31 (zie ook METZ, Woordverkl. 58 b).
© 2007 INL. Artikel geschreven in 1939.


KOLF II
Woordsoort: znw.(v.)
Modern lemma: kolf
— KOLVE —, znw. vr., mv. kolven. Mnl. colve.
Periodieke feestelijke bijeenkomst van gildebroeders; ook als instelling beschouwd en dan zooveel als: sociëteit. Vermoedelijk wel hetzelfde woord als Kolf (I); de gegevens ontbreken echter, om de beteekenisontwikkeling in het licht te stellen. Verg. eng. club dat de beteekenissen van Kolf (I) en Kolf (II) heeft.
Noch is verdragen dat men alle Sondaghen colven sal, welcke colven men altijt houden sal des Sondaechs te twee uren te noen. Ende elck colve sal wesen 4 stuvers, ende so wie dese colve gecondicht worde van den cnape ende hy se dan niet en geeft na dat se hem gecondicht is, die sal verbeuren een dobbel colve, te weten 8 stuvers, in Vad. Mus. 3, 124 (a°. 1518; rederijkerskamer te Diest) Dat voortaen niemant tot 't gebruyck ofte ingangh vander voorsz Colf toegelaten en sal werden, dan die volle Gilde-broeders zijn, ende de Kinderen van dien; mits dat een persoone geen Gilde-broeders sijnde, tot drie reysen toe, binnen een Jaer aldaer mede sal mogen komen met voorgaende verlof vande Keyser enz., bij V. BLEYSWIJCK, Beschr. v. Delft 643 (a°. 1526).
Item, sal een ijegelijck geselle schuldich zijn op den yersten sondach naedat hij in den eedt der voors. cameren gestelt sal zijn, te gevene zyne colve, te wetene vier stuyvers, waervan de dry stuyvers bij den gesellen int gemeijne sullen worden verdroncken ende den vierden stuijver sal men stellen in de busse tot profijte van den geselschap, bij STALLAERT 2, 85 b (a°. 1531; handboogschutterij te Diest). Dat men egheen colven oft roesen en zal verteren tenzij op der Cameren, in presentie van denghenen die colven zelen …, welcke colve oft roese doen zal zesse stuvers; waerinne gehouden zullen zyn soewel de broeders als die vaste gesellen, Ald. (a°. 1554; rederijkerskamer te Leuven). Vergaderingen van Geselschappen, als Schutteryen, Gilden, Kolven, Gr. Placaetb. 4, 839 a [1695].
Ende sullen die guldebroeders ten selven dage ten besten hebben thien colven, elken ten pryse van 6 st., die verteert sullen worden ter plaetse daer het regiment sal ordineren; ende tgene daer meer word verteert, sullen die comparanten hoofdegelijk moeten betaelen, bij STALLAERT 2, 85 b (18de e.).
Afl. Kolveeren, gezellig samen eten en (of) drinken.
Kolleféren. Merendam sumere, KIL. [1599].
Hoe, 'tschijnt ghy my niet en kent, Wy plegen doch wel t'schijnt ghy my niet en kent, Wy plegen doch wel t'saem een bierken te kolveren, Vlaerd. Redenr.-bergh 414. Het spreeck-woord van Colfferen, schijnt oock sijn oorsprongh van dit Gilde genomen te hebben, want, te sitten Colfferen, hier te Delft, soo veel te seggen is, als in geselschap, onder benefitie van een glaesje, den tijd te korten, gelijck de Broeders van de Colf van ouds gewoon waren, V. BLEYSWIJCK, Beschr. v. Delft 645.
Kolven, een kolf houden; zie voorbb. in de eerste en vierde aanhaling onder KOLF, en de volgende aanhaling.
Dat alle de gesellen alle jaer, op den eersten sondach in de mey, sullen te saemen compareren op de doelen, ende aldaer colven alle sondaegen, bij STALLAERT (a°. 1727; boogschutterij te Lauw).
Samenst. Kolfdag, mnl. colvedach, eertijds: dag waarop een kolf gegeven werd. De thans gewestelijk nog voorkomende bet. ”dag waarop men niet werkt” (CORN.-VERVL. 1833) is mogelijk de rechtstreeksche voortzetting van deze oudere.
Opten tweeden sondach naer Bamisse, sullen beghinnen die kolfdaghen, ende dueren soe menichen sondach daer naer, alsser menich ghuldebruer in der gulden sijn, in Belg. Mus. 7, 383 (a°. 1534).
Tot alle welcken eynde het voors. geselscap onsen facteur jont, jaerlycx twelf Rinsguldens, alsoo oock … alle maeltyen, colfdagen wanneer hy compareert, sijn vry gelach, in Vad. Mus. 3, 110 (a°. 1614; zie ook een voorbeeld bij STALLAERT 2, 85 b, a°. 1531).
Als tweede lid. Met den naam van de groep lieden waaruit het gilde bestond, of den beschermheilige er van, als eerste lid, b.v. koopmanskolf (V. BLEYSWIJCK, Beschr. v. Delft 642), St.-Nicolaaskolf (a.w. 644).
© 2007 INL. Artikel geschreven in 1939.


KOLFBAAN
Woordsoort: znw.(v.)
Modern lemma: kolfbaan
znw. vr., mv. -banen. Mnl. colfbane. Uit Kolven (I) en Baan.
1. Baan ter beoefening van het kolfspel.
De lighaamelyke exercitien …, gelyk de Kaatsen Kolfbanen, en het Billiard spel, V. EFFEN, Spect. 12, 140 [1735].
Men (heeft) … al van overlang begonnen, de Kolfbaanen met houten Lootsen te overdekken; die, allengskens kostbaarder en pragtiger geworden, thans aan veele plaatsen, in en om de groote Steden, met Schuifraamen en ruime Zittingen voor de aanschouwers … gebouwd zyn, BERKHEY, N.H. 3, 1397 [1776].
Schoon zij als studenten meer dagen op de kolfbaan en aan het biljard, dan op hunne kamer doorbragten, LOOSJES, Bronkh. 4, 306 [1807].
Het billart …, waartoe minder krachtsontwikkeling dan tot het kolven vereischt wordt, verdringt de eerwaardige kolfbaan, in De Nederlanden 96. Oudtijds werd als kolfbaan een vlakke puinweg, een bevloerd kerkhof of dergelijke plaats gekozen; later koos men een vierkant of langwerpig perk, dat men met schelpen had bestrooid, WITKAMP, in Eigen Haard 1881, 469 a.
In enkele streken legt men op het ijs weleens een kolfbaan aan, SPUYBROEK, Kolfsp. 14.
Eene kolfbaan bestaat uit eene vlakte van twintig meter lengte en vijf meter breedte, bevloerd met cement, zoo vlak en glad mogelijk. Aan de beide uiteinden der baan staat, op 21/2 meter van het eind en in het midden van de breedte, een paal, 16.
In vergelijkingen.
Het is een weg als een kolfbaan: een gelijke gemakkelijke weg, SPRENGER V. EIJK, Spreekw. Landlev. 89.
Het waren fraaije speelwagentjes; op den weg reden zij nog al gemakkelijk, omdat de wintergaten zich reeds verscholen onder het zomerstof, en de weg eefen als een kolfbaan was, V. KOETSVELD, Mastl. 15.
Net beschulpte wegen als kolfbanen, VISSERING, Herinn. 1, 55.
Zoo was Hendrik voor zijn klanten alles; hij kwam overal bij te pas, en zijn karretjen ging als op een kolfbaan, DE BULL, in Ned. Volksalm. 1863, 20.
2. Bij vergelijking voor een effen weg.
Wegen, die, nu ja voor karrentransport konden dienen maar ook voor niets beters, trachtte men in eenige dagen in kolfbanen te herscheppen, DAUM, Raad v. I. 34 [1888].
Samenst. Kolfbaanlegger (SPUYBROEK, Kolfsp. 70).
© 2007 INL. Artikel geschreven in 1939.

colouredscrollbar